*31/2017-05-22

voorgaande
versie-4

▲meer▲

Limburg - zuivelindustrie introductie
Voorlopige tekst uit boekje
“De Bakermat van de Nederlandse Zuivelindustrie”
P. Willems en K. de Wit - 1995

14. NOORD-BRABANT EN LIMBURG, BAKER­MAT VAN HET HANDKRACHTFABRIEKJE

Omstreeks 1890 was de land­bouw op de zuidelijke zand­gronden nog zo primitief, dat men de koeien er niet zozeer hield voor melkproduktie en zuivel, alswel voor het maken van mest, om de schrale grond wat meer vruchtbaar te maken. Van de boeren had 97% niet meer dan 2 à 3 melkkoeien.

De eerste aanzet voor iets wat we zuivelindustrie kunnen noe­men kwam niet uit Friesland, maar uit het naburige België. Daar vond boterbereiding voor gezamenlijke rekening plaats, zo had de in Tungelroy wonende school-meester J.J.C. Ament vernomen. Toen op het dorp in 1891 de oogst grotendeels door hagel was verwoest en de kleine boeren hele­maal in erbarmelijke omstandigheden verkeerden, ging Ament in het Belgische dorpje Bree kijken. Zoals eenmaal Julius Caesar kwam, zag en overwon (Veni, Vidi, Vici), zo was de coöperatie in Bree voor Ament aanleiding om in Tungelroy een gemeenschappelijk fabriekje te stichten. Voorlopig werd die boterfabriek ondergebracht in het bakhuisje van H. Peerlings, voorzitter van de inmiddels opgerichte vereniging. Moeilijkheden te over, maar na enkele weken vond mees­ter Ament in België een koper voor de Tungelroyse boter. Vanaf die tijd liep het vlot.

De handkrachtboterfabriekjes, die al spoedig in vele dorpen en gehuchten tot stand kwamen, waren zó eenvoudig en zó gebouwd, dat ze altijd weer als woonhuis gebruikt zouden kunnen worden. De inventaris bepaalde zich in hoofdzaak tot een bascule, een kookpot en een handcentrifuge, vaten voor het bewaren van de room, benevens een tuimelkarn en een kneedbord. De boeren moesten zelf hun melk naar de fabriek brengen en namen de onder­melk mee terug.

Het voorbeeld Tungelroy trok als een magneet, overal uit den lande kwam men kijken.





Het was onder meer voor Eibergen aanleiding tot de oprichting van een eigen fabriekje.

Voortrekker Ament is later toch wat conservatief geworden. In 1900, toen hij zuivelconsulent in Limburg was, stelde hij dat men gemakkelijker tot de oprichting van een handkracht­fabriekje dan van een stoomfa­briek kon komen. In het zuiden heeft men hier en daar de perio­de van de coöperatieve hand­krachtfabriekjes overgeslagen, is men direct overgegaan tot de oprichting van een groter met stoom aangedreven bedrijf. Wel een fel contrast met de vele honder­den handkrachtfabriekjes, waar de boeren niet alleen zelf hun melk heen moesten brengen, maar waar ze ook nog zelf aan de centrifuge moesten draaien!

Drie factoren
In zuidelijk Nederland was er een drietal factoren die leidden tot snelle opkomst van handkrachtfabriekjes:
*  De mogelijkheid tot verwerken van grotere hoeveelheden melk door de  uitvinding en toepasbaarheid van de handmelkcentrifuge.
*  De gedwongen winkelnering; de boeren zagen in dat ze bij een fabriekje meer voor hun boter konden maken dan ze doorgaans ont­vingen van de winkel.
*  De reeds bestaande handkrachtfabriekjes hadden uiteraard ook een uitstralingseffect.

Dit werd nog bevorderd door de algemene voorlichting, o.a. van J.C. van Wijdom Claterbos, zuivelconsulent te Sittard, die volle zalen trok over het onderwerp zuivelbereiding. Omdat dit voorheen veel door vrouwen en meisjes gebeurde, was hij op een bepaald moment zeer teleurgesteld dat daarvan op een bijeenkomst slechts enkelen aanwezig waren.

In 1895 waren er in Noord-Bra­bant 95 boterfabriekjes, waarvan 49 coöperatief. Limburg kende in dat jaar 59 handkrachtfa­briekjes en één stoomzuivelfa­briek op coöperatieve grondslag.

  Geen venster - hier ophalen - www.zuivelfabrieken.nl