*HN/2018-10-15

voorgaande
versie-4

▲meer▲

Noord-Holland - Zuivelindustrie introductie


Zuivelconsulent Dr. L.T.C. Schey meld in de jaarverslagen 1906 - 1911 het volgende:

Van 1883 - 1890 kwamen er 31 coöp. en 4 particulire kaasfabrieken bij

van 1891 - 1900 22 coöp. en 9 part.

van 1901 - 1906 33 coöp. en 5 part. In 1901 zijn het grootste aantal gebouwd n.l. 12. In 1907 komen er ook veel bij,

1 jan 1907 106 kaasfabrieken 87 coöp. en 19 part.

1 jan 1908 122 in werking zijnde kaasfabriekjes en 3 in aanbouw.

1 jan. 1909 125 kaasfabrieken gemiddeld 776000 kg. melk

31 dec. 1911 134 kaasfabrieken, 107 coöp. en 14 part. en 13 een tussenvorm. Twee werden gesloten en door een vervangen







zjb.  jaar

‘26

‘28

‘30

‘32

‘35

‘37

‘41

‘47

‘49

‘51

‘53

‘55

‘57

‘59

‘61

‘63

‘65

‘67

‘70

‘73

‘75

‘77

1985

1995

2007

aantal

183

?

211

213

190

?

183

106

82

70

64

62

57

53

44

37

36

24

?

15

9

12

11

9

5

12. NOORD-HOLLAND, NOG IN 1900 TWIJFEL AAN FABRIEKS-MATIG KAASMAKEN


Bron tekst en foto’s: Boekje “De Bakermat van de Nederlandse zuivelindustrie”

P. Willemsens en K. de Wit 1995


Noord-Holland ten noorden van Het IJ was van ouds een gebied waar op de boerderijen veel zui­vel werd bereid, met name de bolronde Edammerkaas. In het begin der zeventiger jaren van de 19e eeuw heeft vooral de vereni­ging Hollandsch Noorderkwar­tier in dit gewest pogingen tot oprichting van kaas-fabriekjes gedaan. Een voorman in deze was Wouter Sluis te Beemster. Hij wordt een idealist genoemd, die zijn tijd ver vooruit was. Niettemin, in dit aloude kaasge­bied bleef het er nog lang tradi­tioneel aan toe gaan. Vagelijk won wel de overtuiging veld dat men door fabrieksmatige verwerking van de melk tot een betere toe­stand zou kunnen komen. Aldus kwamen kleine zgn. dagmelkfa­briekjes voor de kaasfabricage tot stand. In 1890 bestonden er hier­van 31 in dit gebied, het bedrijfje Nieuw Leven te 't Zand was in 1883 de eerste. Formeel kan men dit geen coöperatie noemen, maar feitelijk wel. Groepen boeren brachten het stichtingskapitaal bijeen in een NV, burgerlijke maatschap of ook wel bij onderling contract.


Het stichtingskapitaal van deze kleine fabriekjes bedroeg als regel maar enkele duizenden guldens. De bedrijfjes waren erg eenvoudig. Het gebouw-tje had meestal de vorm van een wat langgerekt huis of boerderij. Ook hier gold de voorzorgsgedachte: als de gezamenlijke kazerij niet slaagt, moet het gebouw ook een andere bestemming kunnen krijgen. Één der aandeelhou-ders of contractanten, tevens melkleverancier, fungeerde in deze fabriekjes als directeur en voorzit­ter. Het aan markt brengen en verkopen der kaas geschiedde door een andere boer, de zgn. kaasmarkter.


Hoe eenvoudig deze bedrijfjes vaak waren, lezen wij in een overzicht ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van de fabriek te Assendelft. Een vijftal boeren stichtte in 1893 dit fabriekje. In het achterhuis van het gebouwtje stonden twee kaastobben met een grote unster er tus­sen in. De melk werd daar gewogen en meteen verkaasd. De kaasma­ker woonde in het voorhuis. De kaaswei werd in een nevenstaand hokje voor leveranciers klaar gezet, waar een lijst hing waarop voor ieder de hoeveelheid was aangegeven. Vrijdagsavond’s stond er tussen de beide kaastobben een tafel, waarop de directeur het melkgeld uit­telde.


Evenals elders in het land het geval was met de handkrachtboterfabriekjes was de oprichting van deze kaasfabriekjes niet veel meer dan het verplaat-sen van het handwerk van het kaasmaken van de boerde­rij naar een geza-menlijke bereidplaats. De techniek bleef ongeveer gelijk, al was het wel zo dat door het stichten van deze fabriekjes moderner bereidingsmethoden vlugger ingang vonden, ten eer­ste omdat er minder bereidplaat­sen waren, ten tweede omdat men spoedig met kaasmakers te doen had, die hun vak als spe­cialist uitoefenden. Dat men ook in Noord-Holland in die tijd de verplaat-sing der kaasma­kerij meer in de richting van het "ambacht" dan in die van een "industrialisatie" zag en er van een algemene samenwerking nog geen sprake was, blijkt wel uit het feit dat er in verschillende dorpen meer dan één van dit soort bedrijfjes gesticht werd.

Middelie. Ons Belang 1907-1970 1e fabriek.nog in gebruik.

Middelie. Ons Belang in 1955. Het puntje van het oudste gedeelte stak nog boven de moderne gebouwen uit en was toen nog in gebruik.



Nog in 1901 werd er getwijfeld aan het nut van de fabrieksmatige kaasmakerij. Een commissie Keestra kwam in ieder geval niet onvoorwaardelijk tot deze conclusie, omdat er soms grote gebreken waren bij het geldelijk en technische beheer van coöperaties.


Al met al waren er in 1906 in dit gebied toch een 106 kaasfabriekjes, waarvan 86 op onderlinge grondslag en 20 in particuliere handen. Ook toen werd nog geen 42% van alle kaas fabrieksmatig bereid. Blijkens de grote bijlage in dit boek heeft De Wit in Noord-Holland in totaal 259 fabriekjes gevonden. Een ont­stellend groot aantal. Aan een plaatselijk zuivelbestuur vroeg hij eens naar een verklaring hier­voor.

Dit was het antwoord: "No, jb, weten jullie wel weerom er in Noord-Holland zo'n barre zoód fabriekjes weest benne? "No, je hadde vanzelf roomse melk; den hadde je de gereformeerde melk en verder nog die bar vrijzinnige melk. Deer konne je in dezelfde fabriek toch nooit gien goeie keis van make".

Dirkshorn. Vereniging tot instand­houding van de zuivelindustrie. 1896-1929. Kaasmakerij in 1896, Let op de olielampjes en ook op de voorzitter, die rustig een sigaartje rookt. De kaasbak zonder machine met rechte hoeken.


Benningbroek

Eindelijk, na vele vergeefse pogingen, lukt het in 1913 ook in Bening-broek. In de originele notulen van die vereniging lezen we: “'t Ware te wenschen dat wij ook een fabriek hebben, evenals haast alle andere dorpen in onze omgeving. Maar door niemand werd er een stoot aan gegeven, tot in het laatst van Augustus de Heeren C. Helder en K. Winkel, briefjes lieten circuleeren tot oproeping eener vergadering bij den Heer A. Winkel om te geraken tot oprichting eener zuivelfa-briek”.


Dan het gebruikelijke patroon: Men gaat vergaderen. Daarover lezen we in de notulen nog: “In beginsel werd reeds op die eerste vergadering besloten de vereniging coöperatief te maken en ook was men het er over eens, de fabriek naar de nieuwste stijl in te richten, dus twee-maal per dag de melk te leveren en de uitbetaling naar het vetgehalte der melk te doen plaats hebben”:

Beemster. De Toekomst 1901-1934 In Noord-Holland, boven het Noord­zeekanaal, kwamen drie verschillende typen kaasfabrieken voor. Dit is het zgn. boerderijtype. Wanneer het mis ging met de vereniging, kon het gebouw door enkele aanpassingen als veehouderij bedrijf worden ingericht. Dit type was geschikt voor een maxi­male verwerking van 500.000 kg.  melk per jaar tot kaas.


Lutjewinkel

Één van de eerste kaasfabrieken welke modern-industrieel waren opgezet is die te Lutjewinkel, maar daarvoor moet men ook tot 1916 terug in de tijd gaan. Bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het bedrijf heeft de bekende literaire auteur Jan Mens een gedenkboek over Lutjewinkel geschreven. Qua stijl en aanpak van hoogstaand niveau, maar voor ons gevoel wat potsierlijk-wijdlopig. Wel vinden we hierin op duidelijke wijze de aanleiding voor de stichting van een moderne fabriek. De eerste voorzitter vertelt: “Er bestonden een paar kleine zuivelfabriekjes, maar die haalden nooit het volle rendement uit melk, zoals dat wel zou kunnen. En voorts waren we overgeleverd aan willekeur van de speculatieve fabrieken, die wel over ons handelden, doch zonder ons.”

Deze situatie prikkelde veehouder Blauwboer tot een excursie naar Friesland, waar hij het idee voor een coöperatieve fabriek opstak en dat in Lutjewinkel besprak. Tegenover auteur Jan Mens vertelt hij dan: “De vonk sprong over. En op een Donderdag in Maart in het jaar 1915, toen ik in het café “De Beurs” in Schagen kwam, ontmoette ik daar Jb. Spaans en D. van der Stok. We praatten een beetje over koetjes en kalfies en opeens spraken we over een coöperatieve zuivelfabriek We werden het volkomen eens. Veertien dagen na dato hielden we reeds een vergadering te Barsingerhorn met de besturen van acht kleine fabriekjes  waar een studiecommissie benoemd werd”.

Lutjewinkel voorzijde fabriek 1929


Het is hier niet de plaats om de geschiedenis van Lutjewinkel verder uit te diepen, volstaan wordt met de constatering dat het met deze kaasfabriek tot de dag van heden erg goed is gegaan. De eerder genoemde schrijver Jan Mens maakte ook in 1941 een reportage van het bedrijf. Hij is immens onder de indruk:

“En hier zou ik dichterlijk kun­nen worden. Want om zoo'n fabriek te stichten en steeds grooter te maken, moet men iets hebben van den kunstenaar. Om zoon inrichting op pooten te zetten, moet men beschik-ken over een benijdenswaardigen vooruitzien­den blik. Verwonderd ging ik die paar dagen van zaal tot zaal en werd getroffen door de energie en den ondernemingsgeest, die spra­ken vanuit het kleinste apparaatje tot de gigantische machines toe...

Op die stellingen vindt de arme kaas al weer geen rust, iederen dag is het een keeren en wentelen, ik hoor vertellen van halfslag en kwartslag en meer technische ter­men, waar ik niets van begrijp. Genoeg zij te weten dat de kaas, na een week geregeld om en om te zijn gedraaid, eindelijk eenigszins tot rust komt in het kaaspakhuis".

1926 zwarte stip: Dagfabrieken, rode stip; zoetfabrieken

Bron: Boek: Melkunie-Holland - P. v. Druenen  “Een begeerlijk produkt” - 1989  

  Geen venster - hier ophalen - www.zuivelfabrieken.nl

Noord-Holland Introductie - ‘voorlopig’